De do’s en don’ts van jongerenparticipatie
Door Rae van Breemen
Jongeren ondersteunen die kampen met armoede, onveiligheid, mentale problemen of simpelweg een gebrek aan perspectief. Dat doet Cecilia Petit de laatste vier jaar als bestuurder van jongerenwerkcentrum The Mall. Met een team van achttien mensen helpen zij jongeren in een jongerenwerkorganisatie in Amsterdam West. Ze geeft haar visie op het betrekken van deze belangrijke groep – zij die de toekomst zijn. ‘Jongeren hebben het gevoel dat de samenleving er niet voor hen is, maar over hen gaat.’
Om de daad bij het woord te voegen: dit artikel is geschreven door jong talent Rae van Breemen, die kort geleden afstudeerde aan de Hogeschool Journalistiek. Door haar dit artikel te laten schrijven geven we jongeren zoals zij een platform.
‘Wij zijn daar waar de jongeren zijn,’ zegt Petit.
Buitengesloten
Daarbij komt een overheid die ondanks goede bedoelingen in de beleving van jongeren vaak veraf staat. ‘Jongeren hebben het gevoel dat de samenleving er niet voor hen is, maar over hen gaat. Tijdens corona voelden veel jongeren zich buitengesloten van besluitvorming. De maatregelen werden niet genomen in hun belang maar om anderen te beschermen, er werd hen voor hun wezenlijke zaken onthouden zonder dat ze hierover mochten meedenken. En ook ten aanzien van andere zaken die vooral de jeugd aangaan of zullen treffen (zoals het milieu of de inrichting van het jeugdstelsel) worden zij nauwelijks betrokken vanuit het idee: wij weten wat goed voor jullie is.
Volgens haar is dat precies waar het fout gaat. ‘Als zelfs een welvarende witte burger zich al niet gehoord voelt, hoeveel ruimte is er dan voor jongeren van kleur, zonder netwerk, zonder spreekvaardigheid, maar wel met veel levenservaring? Die ervaren dagelijks onrecht, en dat vormt hun kijk op de samenleving.’
Eigen bubbel
Het gevolg: jongeren trekken zich terug in hun eigen bubbels. Niet alleen fysiek, ook online. Ze krijgen nauwelijks andere perspectieven mee en baseren hun wereldbeeld op persoonlijke ervaringen, vaak door middel van uitsluiting of onrecht. ‘Ze zeggen bijvoorbeeld: “Femke Halsema is niet mijn burgemeester.” Niet omdat ze weten wat haar beleid is, maar omdat ze op basis van een aantal filmpjes die zij zagen het gevoel hebben dat zij er voor haar niet toe doen en dat zij niet luistert.’
Dat gebrek aan erkenning heeft impact. ‘Als jongeren het gevoel hebben dat hun mening er niet toe doet, dan haken ze af. Niet alleen van de politiek, maar van de hele samenleving.’ En dat is gevaarlijk. Want een samenleving waarin jongeren zich machteloos voelen, is een samenleving die haar veerkracht verliest.
Jongerenwerk
Toch is er hoop. Juist in deze kwetsbaarheid schuilt ook de sleutel tot verandering, zo blijkt uit het werk van The Mall. De organisatie combineert sport, spel, coaching en burgerschapsvorming op laagdrempelige wijze. Jongeren worden niet alleen geholpen, maar ook geactiveerd. ‘Als je ze laat ervaren dat hun stem telt en dat hun inzet van meerwaarde is, dan gaan ze stralen. Dan willen ze morgen weer komen en zo worden ze gemotiveerd. Dan bouwen ze weer mee aan hun toekomst.’
Wat The Mall onderscheidt is dat jongeren worden betrokken bij de keuzes die gemaakt worden. Niet voor de vorm, maar met inhoudelijke zeggenschap. Ze organiseren zelf bijeenkomsten, bepalen thema’s, en bouwen zo letterlijk aan een centrum ‘voor en door jongeren’. ‘Dat geeft eigenaarschap, een cruciaal element voor mentale veerkracht.’
Van consument naar participant
De ervaringen die Petit dagelijks in haar werk opdoet motiveerde haar om zich in te zetten voor Kracht van Mokum. ‘We bliezen deze beweging nieuw leven in vanuit onze overtuiging dat radicalisering en afhaken van mensen te maken hebben met het gevoel van geen invloed hebben. Je voelt je slechts consument in plaats van deelnemer.’
Daarom richt Kracht van Mokum zich specifiek op het activeren van Amsterdammers, en jongeren in het bijzonder. Door hen verschillende vormen van actie aan te bieden, spreekt het verschillende typen betrokkenheid aan: ‘De één ketent zich aan een boom, de ander praat liever mee in een maatschappelijk debat, en een derde zet liever een buddyproject op voor vluchtelingen.’
Het verbindende element? ‘Samen iets doen met impact. Door initiatieven met elkaar te verbinden, wordt het collectieve geluid krachtiger. Dat motiveert mensen om mee te doen. En het geeft hen het gevoel: ik maak deel uit van iets groters. Ik doe ertoe en ik draag iets bij. ’
Een belangrijke voorwaarde is dat de overheid deze burgerbewegingen niet frustreert, maar juist faciliteert. Dat vraagt om openheid, vertrouwen, en soms ook het lef om controle los te laten. ‘Laat burgers en zeker ook jongeren zelf de vorm bepalen. Sluit aan, in plaats van voorop te willen lopen.’
Minder top-down
Als we willen dat jongeren weer vertrouwen krijgen in de samenleving, dan moet de overheid anders durven handelen. Minder top-down, meer faciliterend. ‘Neem als beleidsmaker een stap opzij. Niet omdat je geen visie hebt, maar omdat je erkent dat die visie beter wordt als jongeren meedenken.’
Dat vraagt om risico’s durven nemen. En om structurele verandering. ‘Laat jongeren zelf bepalen welke onderwerpen zo belangrijk zijn dat zij er op een of andere manier mee aan de slag willen en of-, op welke manier- en welk moment zij beleidsmakers en bestuurders willen betrekken. Misschien is dat wel niet maandelijks op een stadsdeelkantoor in een vergadering, maar eenmalig bij een feestelijk evenement waar de volwassenen vooral mogen luisteren. Niet om kwart over drie in een zaaltje vol ambtenaren, maar wanneer en waar jongeren zich veilig voelen – fysiek of online. En nog belangrijker: doe iets met wat ze zeggen.’
Jongerenparticipatie
Volgens Petit is dat laatste essentieel. ‘Vraag jongeren alleen om mee te denken als je ook écht iets met hun inbreng gaat doen. Anders leidt het tot frustratie en nog meer afstand.’
Ze waarschuwt voor vrijblijvende trajecten: ‘Als je geen tijd of middelen hebt, wees daar dan eerlijk over. Jongeren hebben al genoeg ervaringen waarin ze zich genegeerd voelen. Geef hun liever invloed binnen een jongerencentrum of school of laat ze een eigen klein project uitvoeren waarbij ze succeservaringen opdoen, dan hen te betrekken bij een grote visie waar niets van terechtkomt.’
Geen bijzaak
Het is volgens Petit van essentieel belang dat jongeren in heel Nederland zich gehoord en betrokken voelen. Niet alleen als bijzaak, maar als actieve deelnemer van onze samenleving. Maar dat vraagt om een overheid en samenleving die durven los te laten en ruimte te bieden, en het belangrijkst, luisteren. Alleen zo kunnen wij een positieve kijk op de toekomst van jongeren garanderen. En hiervoor hebben wij hen heel hard nodig.


